Materiaalvocht meten

In de gebruiksmodus <Pin> wordt het vochtgehalte via de elektrische geleidbaarheid van het meetobject bepaald (weerstandsmeting).

In de gebruiksmodus <Pad> zendt het meetgereedschap een elektromagnetisch signaal uit. De verandering van dit signaal door het materiaal van het meetobject en het daarin aanwezige water bepaalt het vochtgehalte (capacitieve meting).

  • Optimale meetresultaten zijn alleen mogelijk wanneer het bij het meetobject passende materiaal werd ingesteld. De materialen verschillen zowel qua geleidbaarheid en dichtheid als qua overdrachteigenschappen van elektromagnetische signalen.

In het meetgereedschap zijn karakteristieken voor diverse hout- en bouwmaterialen opgeslagen. In de instellingen zie Overzicht menu's kunt u uit de beschikbare materialen favorieten vastleggen die als snelkeuze op het startscherm ter beschikking staan.

Als de gebruiksmodus <Pad> is ingesteld, dan kan naast de zelf vastgelegde materialen de <Referentiemodus> via de favorieten worden geselecteerd zie Metingen met referentiewaarde (gebruiksmodus <Pad>).

  1. Het huidige ingestelde materiaal staat in de materiaalaanduiding (f).
  1. Druk boven op de toets  om naar een ander favoriet materiaal te gaan.
  1. Een lichte achtergrond van de materiaalaanduiding (f) geeft aan dat de materiaalinstelling kan worden gewijzigd.
  1. Druk rechts of links op de toets  tot het gewenste materiaal verschijnt.

De lichte achtergrond van de materiaalaanduiding (f) verdwijnt: door midden op de toets  te drukken of enkele seconden nadat voor de laatste keer op een toets werd gedrukt of bij het begin van een meting.

U kunt bij elk opgeslagen materiaal vastleggen vanaf welke drempelwaarde de meetwaarde als te hoog (rood) of goed (groen) in de meetwaarde-aanduiding (j) wordt aangegeven.

De maximaal instelbare drempelwaarde is afhankelijk van het materiaal:

Materiaal

Drempelwaardebereik

Alle houtmaterialen

0 % … 30 %

<Gasbeton>

0 % … 30 %

<Bakstenen>, <Gipswand>, <Gips>, <Betonvuller>, <Betonvloer>, <Anhydrietvloer>, <Cement dekvloer>, <Cementmortel>, <Kalkmortel>

0 % … 10 %

  1. De bijbehorende drempelwaarde voor het huidige geselecteerde materiaal (f) verschijnt in de drempelwaarde-aanduiding (g).
  1. Druk onder op de toets  om de drempelwaarde te wijzigen.
  1. Een lichte achtergrond van de drempelwaarde-aanduiding (g) geeft aan dat de drempelwaarde kan worden gewijzigd.
  1. Druk rechts of links op de toets  tot de gewenste waarde verschijnt. Bij langer drukken wordt de waarde in snellere stappen gewijzigd.
  1. De drempelwaarde wordt voor het huidige materiaal opgeslagen en is ook na het wisselen van het materiaal beschikbaar.

De lichte achtergrond van de drempelwaarde-aanduiding (g) verdwijnt: door midden op de toets  te drukken of enkele seconden nadat voor de laatste keer op een toets werd gedrukt of bij het begin van een meting.

Algemeen:

  • Als het meetobject van buitenaf vochtig is geworden (bijv. door regen of bedauwing), beïnvloedt dat de meting. Kies een kant die niet vochtig is, of wrijf het meetobject eventueel droog om het materiaalvocht te kunnen meten.
  • Het is niet mogelijk om metingen bij bevroren materiaal uit te voeren.
  • De te meten plek in het hout moet onbehandeld en vrij van knoesten, vuil, hars, rotting, kwasten of andere gebreken zijn om het meetresultaat niet nadelig te beïnvloeden.
  • Bij metingen van het vocht in brandhout is het praktisch om het houtmonster vóór de meting te kloven.
  • De te meten plek in bouwmaterialen moet vrij van vuil zijn. Met name zouten op het oppervlak kunnen het meetresultaat vervalsen.

Gebruiksmodus <Pin>:

  • De meetnauwkeurigheid is het grootst wanneer de temperatuur van het meetobject overeenkomt met de omgevingstemperatuur. Laat het meetobject hiervoor eventueel op temperatuur komen.

Gebruiksmodus <Pad>:

  • Objecten die smaller zijn dan het sensorgedeelte (17), kunnen niet worden gemeten.
  • Leg platte meetobjecten niet op een ondergrond; de waarden van de ondergrond vervalsen anders het meetresultaat en verminderen de meetnauwkeurigheid.
    Voorbeeld : Een houten plaat met een dikte van 20 mm wordt gemeten, terwijl deze op een tafel ligt. Bij een meetdiepte van 30 mm bestaat het meetgebied uit 20 mm houten plaat en 10 mm tafel, de waarden van de tafel beïnvloeden het meetresultaat. Als de houten plaat tijdens de meting vrij wordt vastgehouden, wordt uitsluitend 20 mm houten plaat gemeten.

Voor metingen met behulp van de meetpennen (3) moet de gebruiksmodus <Pin> zijn ingesteld.

  1. Overtuig u er vóór het meten van dat de meetpennen schoon en droog zijn. Wrijf deze eventueel droog met een doek.
  2. Als het meetgereedschap blootgesteld is geweest aan een sterke temperatuurwisseling, laat u het vóór het meten op de juiste temperatuur komen.
  1. Verwijder het beschermkapje (1) van de meetpennen en bevestig dit aan de onderkant van het meetgereedschap.
  2. Druk op de toets  om van de gebruiksmodus <Pad> te wisselen naar de gebruiksmodus <Pin>.
  1. In de aanduiding gebruiksmodus (c) verschijnt <Pin>.
  1. Overtuig u ervan dat het correcte materiaal in de aanduiding (f) is ingesteld.
  1. Schuif de meetpennen (3) in het meetobject. Optimale meetresultaten worden bereikt, wanneer de meetpennen ca. 4−5 mm (tot aan de inkeping) in het meetobject worden gestoken.
  • Gebruik geen geweld als u de meetpennen in het meetobject steekt. Sla het meetgereedschap niet met andere voorwerpen in het meetobject. Het meetgereedschap kan worden beschadigd.
  1. Schuif de meetpennen (3) indien nodig met bewegingen naar links en rechts in het meetobject.
  1. Het gemeten materiaalvocht verschijnt in de meetwaarde-aanduiding (j).

Als de meetwaarde kleiner dan of gelijk is aan de ingestelde drempelwaarde, wordt deze groen aangegeven. Als de meetwaarde groter is dan de drempelwaarde, wordt deze rood aangegeven.

  1. Breng na het einde van de meting het beschermkapje (1) weer op de meetpennen (3) aan.

Voor metingen via het sensorgedeelte (17) moet de gebruiksmodus <Pad> zijn ingesteld.

  1. Druk op de toets  om van de gebruiksmodus <Pin> naar de gebruiksmodus <Pad> te wisselen.
  1. In de aanduiding gebruiksmodus (c) verschijnt <Pad>.
  1. Overtuig u ervan dat het correcte materiaal in de aanduiding (f) is ingesteld.
  1. Duw het meetgereedschap met het hele sensorgedeelte (17) op het meetobject.
  1. Het gemeten materiaalvocht verschijnt in de meetwaarde-aanduiding (j).

Als de meetwaarde kleiner dan of gelijk is aan de ingestelde drempelwaarde, wordt deze groen aangegeven. Als de meetwaarde groter is dan de drempelwaarde, wordt deze rood aangegeven.

  1. Druk midden op de toets  om de huidige meetwaarde op te slaan.
  2. De opgeslagen meetwaarde (i) verschijnt boven de huidige meetwaarde.

U kunt maximaal twee meetwaarden opslaan. Telkens als er daarna iets wordt opgeslagen, wordt de oudere waarde automatisch gewist.

U kunt de opgeslagen meetwaarden ook handmatig wissen door op de toets  te drukken (daarbij wordt de laatst gemeten waarde het eerst gewist).

Bij het wisselen van het materiaal en bij het uitschakelen van het meetgereedschap worden beide opgeslagen waarden gewist.

Metingen in de <Referentiemodus> zijn bijvoorbeeld handig wanneer het materiaal van een meetobject niet bekend is of wanneer er moet worden beoordeeld of delen van een oppervlak vochtiger of droger zijn dan een ander deel van hetzelfde oppervlak.

In de referentiemodus verschijnt geen meetwaarde in de aanduiding meetwaarde (j), maar het meetresultaat wordt weergegeven als markering op de drempelwaardebalk (h).

De drempelwaarde wordt niet als getallenwaarde ingesteld, maar vastgelegd via een referentiemeting. Daarvoor kan bijv. een beslist droog gedeelte van een muur of een droog stuk hout van een onbekende houtsoort worden gemeten.

  1. Voor metingen in de referentiemodus moet de gebruiksmodus <Pad> zijn ingesteld.
  1. Voor de start van de referentiemodus drukt u op de bovenkant van de toets  en selecteert u <Referentiemodus> in plaats van een materiaal in de favorieten.
  2. Op het display verschijnt <Referentie instellen> naast een knipperende driehoek.
  3. Druk midden op de toets  om de referentiemodus te bevestigen.
  4. Duw het meetgereedschap met het gehele sensorgedeelte (17) op het materiaal dat als referentiestuk voor de daarop volgende metingen moet dienen.
  1. De vochtwaarde van het referentiestuk wordt als drempelwaarde opgeslagen. Het opslaan van de referentiewaarde wordt op het display bevestigd.

Bij alle volgende metingen geeft de positie van de markering op de drempelwaardebalk (h) aan hoeveel droger of vochtiger het huidige meetobject dan het referentie-object is.

  1. Voor het vastleggen van een nieuwe referentiewaarde drukt u ofwel op het midden van de toets  of drukt u op de toets .
  2. Volg vervolgens de instructies op het display.
  3. Voor het beëindigen van de referentiemodus drukt u op de bovenkant van de toets  om een ander materiaal in te stellen.

De referentiewaarde wordt niet opgeslagen.

Algemene aanwijzingen m.b.t. de meting:

  • Meet altijd op meerdere plekken. Het vocht kan in het meetobject verschillend verdeeld zijn.
  • Vanwege het ontwerpprincipe kan het meetgereedschap het vocht alleen bij benadering bepalen, vooral bij bouwmaterialen. Als waarden met een hogere meetnauwkeurigheid nodig zijn, voer dan een meting volgens de calciumcarbide-methode of de ovendrogingsmethode uit.

Metingen met gebruiksmodus <Pin>:

  • Houd temperatuur- of vochtbronnen die de meting kunnen vervalsen (bijv. handen), uit de buurt van de meetpennen (3).
  • Er wordt uitsluitend gemeten in het gebied waar de meetpennen (3) contact met het meetobject hebben. Dieper liggend vocht kan niet worden gemeten. Verschillende insteekdieptes van de meetpennen kunnen de meetresultaten beïnvloeden.

Metingen met gebruiksmodus <Pad>:

  • Let het meetgereedschap met het sensorgedeelte (17) zo plat mogelijk op het meetobject.
  • De meting wordt onder het sensorgedeelte (17) tot de maximale meetdiepte uitgevoerd. Het meetgereedschap berekent uit de afzonderlijke waarden in dit meetgebied de weergegeven meetwaarde (j). De lagen van het meetobject die dichter bij het meetgereedschap liggen, worden in de meetwaarde sterker gewogen dan dieper liggende lagen.
  • Houd uw handen of andere voorwerpen tijdens de metingen uit de buurt van het sensorgedeelte (17) om de meetresultaten niet te beïnvloeden.
  • Metalen en elektrische velden in het meetobject kunnen het meetresultaat vervalsen.

Metingen in bouwmaterialen/ondergronden:

  • Bij ondergronden van gemengde materialen of bij een losse, brokkelige ondergrond moet rekening worden gehouden met een hogere onnauwkeurigheid van de meting.
  • De aangegeven waarden zijn sterk afhankelijk van het gebruikte bouwmateriaal/de fabrikant en van de omgevingsomstandigheden. Meet bij twijfel als referentie een betrouwbaar droge plek of een droog proefstuk dat groot genoeg is, van hetzelfde materiaal.

Metingen in hout :

  • Gebruiksmodus <Pin>: Meet dwars op de vezelrichting van het hout. Metingen evenwijdig aan de vezel of langs de jaarringen kunnen resulteren in hogere meetwaarden.
  • Meet op een afstand van minimaal 5 cm van zaagranden en voer geen metingen op kopse kanten uit. Hout droogt aan de rand en op de kopse kanten zeer snel.
  • Meet niet aan de buitenzijden van het hout. Door regen of dauw zou zich hier water kunnen hebben verzameld en dit zou kunnen resulteren in hogere vochtwaarden.
  • Kernhout kan een ander vochtgehalte hebben dan splinthout van hetzelfde stuk hout.
  • Bij metingen van het vocht van brandhout is het praktisch het vers gekloofde hout op drie punten te meten: telkens 5 cm vanaf de linker en rechter kloofrand en in het midden van het houtblok.
  • Omdat het om natuurlijke materialen gaat, kunnen de voor de meting belangrijke eigenschappen van het hout variëren en resulteren in afwijkende meetwaarden.
  • Weet u niet zeker om welke houtsoort het gaat, kies dan <Bouwhout> in de materiaalaanduiding (f) of wissel naar de gebruiksmodus <Pad> en voer een meting met referentiewaarde uit.